Samen met wetenschappers en donateurs werken we aan een proefdiervrije toekomst. Er bestaan inmiddels verschillende proefdiervrije alternatieven voor onderzoek. Welke alternatieven dit zijn en wat ze inhouden, lees je hier!  

Dierproeven worden al honderden jaren verricht. In 1981 werd het aantal dierproeven voor het eerst geregistreerd: meer dan anderhalf miljoen. Dankzij technologische ontwikkelingen en wetenschappelijke kennis, is het aantal dierproeven met ruim de helft verlaagd naar 448.399 in 2018.

Een mooie daling, maar elk proefdier is er één te veel. Ondanks dat muizen, honden, katten en varkens helemaal niet op mensen lijken, worden er nog steeds talloze onderzoeken op hen verricht.

We zien dat het anders kan: steeds vaker ontdekken we nieuwe manieren om onderzoek te voeren zónder dieren. Dat bespaart niet alleen veel dierenleed, maar zorgt ook voor betere en betrouwbaardere resultaten voor mensen. Klik hieronder op de proefdiervrije onderzoeksmethodes en lees hoe zij bijdragen aan een proefdiervrije wereld!

Op de hoogte blijven van alle proefdiervrije ontwikkelingen? Meld je hier aan voor onze nieuwsbrief! 

Proefdiervrije alternatieven

Organoids

Een organoid is een soort mini-orgaantje. Het bestaat uit een complex geheel van cellen die alle lichaamsfuncties van een bepaald orgaan nabootsen. Het is mogelijk om persoonlijke mini-orgaantjes te maken. Door materiaal af te nemen van een patiënt (bijvoorbeeld huid, bloed of speeksel), kunnen cellen gekweekt worden. Deze bevatten dan alle genetische eigenschappen van de patiënt. Dat is extra behulpzaam bij ziektes zoals kanker of Alzheimer; het onderzoek kan dan namelijk heel gericht uitgevoerd worden.

In 2007 ontwikkelde prof. Dr. Hans Clevers van het Hubrecht Instituut Utrecht de eerste organoid van een darm. Inmiddels bestaan er al veel meer soorten organoids, zoals mini-longen, mini-harten en mini-hersenen. In theorie zouden alle organen nagebouwd kunnen worden met organoids, maar van sommige organen is de samenstelling nog onbekend.

In 2016 ondersteunden we Hans met het opzetten van de Living Biobank, een soort bibliotheek van opgeslagen organoids die wetenschappers wereldwijd kunnen gebruiken.

Organoid
Organoid
Organen-op-een-chip

Het lijkt op een legoblokje, maar een orgaan-op-een-chip is eigenlijk een plastic plaatje dat menselijke cellen bevat! De cellen zijn niet met het blote oog te zien, maar toch bootsen ze een menselijk orgaan op een realistische wijze na.

Organen op een chip kunnen talloze proefdieren vervangen. Zo kunnen cavia’s uit astma onderzoek gered worden door een astma-op-een-chip. Deze bootst de benauwdheid van astma veel beter omdat het de menselijke situatie weergeeft.

Het mooie is, dat de chip meer dan één orgaan kan bevatten. In 2018 heeft een groep onderzoekers een zogenaamde ‘body-on-a-chip’ ontwikkeld, een chip die wel tien (!) menselijke organen bevat. Daar kunnen honderdduizenden proefdieren mee gered worden.

Een organ-on-a-chip
Een organ-on-a-chip
Wat is het verschil tussen een organoid en een orgaan-op-een-chip?

Een organoid en een orgaan-op-een-chip lijken erg op elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde. Hieronder zetten we een aantal verschillen op een rijtje:

Organoid

  • De cellen groeien altijd in een 3D structuur.
  • Een organoid zweeft als het ware in de gel.
  • Een organoid bestaat uitsluitend uit organisch materiaal.
  • Organoids zijn op zichzelf functionerende eenheden: het is de bedoeling dat de cellen zichzelf beïnvloeden.

Orgaan-op-een-chip

  • De cellen hoeven niet in een 3D structuur te groeien.
  • De cellen zitten vast op de chip en kunnen verbonden worden door middel van kanalen. Hierdoor kunnen ze ook een bloed- of luchtstroom hebben.
  • Een chip kan naast organisch materiaal ook materiaal zoals plastic bevatten.
  • De cellen op een orgaan-op-een-chip kunnen beïnvloed worden door de onderzoeker. Zo kunnen ze gebruikt worden om de interactie tussen verschillende cellen en weefsels na te bootsen.

Saskia Aan, adviseur Wetenschap en Innovatie: “Een organoid is hoe biologen een orgaan bouwen; een orgaan op een chip is hoe een engineer een orgaan zou bouwen.”

Plastinaten

Niemand wil zijn huisdier verliezen, maar het is een mooi idee dat het overlijden van een huisdier kan bijdragen aan het redden van een proefdier. Door overleden huisdieren te doneren aan een dierenkliniek in de buurt, kan de viervoeter een proefdier vervangen in bijvoorbeeld de opleiding diergeneeskunde.

Dit gebeurt dankzij plastinatie, een techniek waarbij het overleden huisdier wordt ingespoten met siliconen. Zo wordt het goed geconserveerd.  Het huisdier wordt zo een 3D diermodel dat jaren meegaat. Diergeneeskunde studenten kunnen met het model precies zien hoe een dier ervan binnen uit ziet, zonder dat hier een proefdier voor moet (over)lijden.

Nog mooier: iedereen kan helpen. Heb je interesse om jouw huisdier later te doneren aan de wetenschap? Kijk hier welke dierenklinieken uit jouw buurt meedoen.

Via het dierdonorcodicil kan je je huisdier doneren aan de wetenschap.
Overleden huisdieren kunnen worden geplastineerd om proefdieren te vervangen
3D Printing

Steeds meer mensen, scholen en bedrijven hebben een 3D-printer in huis staan. Je kunt er diverse dingen mee printen, zoals beeldjes, sleutelhangers en servies. Maar wist je dat je ook organen kunt printen? In plaats van inkt, worden er menselijke cellen gebruikt. Deze worden gekweekt uit bijvoorbeeld huidcellen, dus er komt geen dieren- of mensenleed bij kijken.

Met de cellen kunnen dus volledig functionele organen geprint worden. Er zijn al successen: zo leeft er in de Verenigde Staten een jongen met een volledig, functionele geprinte blaas!

3D geprinte organen maken vooral het verschil in medicijnenonderzoek en in operaties. Medicijnen moeten altijd vooraf getest worden, op onder andere dosering en schadelijkheid, en operaties moeten vooraf geoefend worden. Met 3D geprinte organen zijn proefdieren in deze scenario’s overbodig!

De ontwikkeling van 3D printing is in volle gang, maar we hebben goede hoop dat het proefdieren volledig kan vervangen in onderzoek. In Duitsland werkt een medische universiteit sinds 2 jaar geheel proefdiervrij: zij hebben succesvol een oefenmodel van een aneurysma kunnen nabootsen door gebruik van patiëntgegevens en 3D printing.

3D printen
Een 3D geprint hart
Computermodellen

Een computer is niet meer weg te denken uit het huishouden: we gebruiken ze om met elkaar in contact te kopen, op afstand te winkelen en om te zien we wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt. Maar ook onderzoek kan beter en nauwkeuriger worden uitgevoerd met computers.

Neem bijvoorbeeld medicijnen; normaliter worden deze getest op proefdieren. Met computermodellen kunnen de effecten van medicijnen op een veilige manier worden gesimuleerd. Zo wordt er in het onderzoek naar de schadelijkheid van stoffen bij ongeboren baby’s gebruik gemaakt van computermodellen.

Ook brandwondenonderzoek gebeurt met wiskundige computermodellen. Door de data van patiënten te gebruiken, kan een computermodel gemaakt worden dat uitgaat van mensen zelf en niet van een proefdier. De voorspellingen zijn veel nauwkeuriger en ook proefdiervrij. Met hoe technologie zich blijft ontwikkelen, hebben wij er alle vertrouwen in, dat computermodellen proefdieren ooit (grotendeels) overbodig gaan maken.

Saskia Aan, adviseur Wetenschap en Innovatie: “Ik denk dat het gebruik van computermodellen een cruciaal onderdeel is van het vervangen dierproeven. Om proefdieren overbodig te kunnen maken, moeten we verder kijken dan cellen kweken in lab. Computermodellen bieden de kans om het meest te halen uit al bestaande data en geeft ons nieuwe manieren om aan data te komen.”

Computermodel in silico

Menselijk weefsel

Bij operaties blijft er vaak weefsel over. Meestal wordt dit weefsel weggegooid, maar dat is doodzonde! Het weefsel kan namelijk ook gebruikt worden in onderzoek, en zo niet alleen wetenschappelijk onderzoek verbeteren, maar ook proefdieren vervangen.

In het project VitalTissue werken verschillende organisaties aan het creëren van een netwerk van ziekenhuizen en onderzoekers. Na een operatie, zou menselijk weefsel meteen naar het lab gebracht moeten worden, om onderzoek op menselijk weefsel zo mogelijk te maken. Dit netwerk zou tienduizend proefdieren per jaar kunnen vervangen!

Het unieke aan dit project is, dat het gaat om vitaal weefsel: weefsel dat als het ware nog ‘leeft’. Dit weefsel maakt bijvoorbeeld nog stofjes aan, iets wat chemisch (niet menselijk) weefsel niet doet. Omdat het weefsel nog leeft en beïnvloed wordt door stoffen, is het perfect voor medicijnonderzoek.

En het mooie is: zodra VitalTissue er is, kan iedere geopereerde patiënt weefsel doneren en zo proefdieren redden. We hopen dat de eerste overdracht van weefsel tussen operatiekamer en laboratorium snel plaats kan vinden.